Filosofie

Za-zen
 

Een inleiding over zen.

Het karige woord heeft een grote aantrekkingskracht, misschien evenzeer vanwege wat we er niet van weten als vanwege wat we er wel van weten. Mensen zeggen: ‘heel zen,’ en het lijkt dan spiritueel, overzichtelijk, kalm, mystiek en raadselachtig te betekenen – allemaal tegelijk. Wat is zen? Het is misschien gemakkelijker het geluid van het klappen van één hand te beschrijven.

Een historische noot.

Zen ontstond in de zesde eeuw in China als ontmoeting tussen het Indiase boeddhisme en het taoïsme, waarin het theoretische met het praktische, het bovennatuurlijke met het aardse samenging. In China, waar het Tsj’an werd genoemd, legde het, meer dan op onderricht, de nadruk op meditatie als kortste, en steilste, weg om de Boeddha-geest die ons allen eigen is te verwerkelijken.

Aanvankelijk ontwikkelden zich twee lijnen, de noordelijke school van geleidelijke verlichting en de zuidelijke school van plotselinge verlichting, waarbij de zuidelijke al snel de overheersende richting werd. Zen bereikte zijn gouden tijdperk in de T’ang- en vroege Soeng-dynastie (globaal de zevende tot en met twaalfde eeuw) en arriveerde omstreeks 1190 in Japan, waar de Soto- en de Rinzai-school nog altijd bloeien. De eerste zen-leraren kwamen rond 1905 in Amerika aan.

Zazen.

De kern van zen-beoefening is zazen, of ‘zitten’ in ‘verzonkenheid’. Hoewel zazen zijn wortels heeft in oude meditatiepraktijken, verschilt hij van andere vormen van meditatie in de zin dat geen gebruik wordt gemaakt van een meditatie-object of abstract concept waarop de zitter zich concentreert. Het doel van zazen is eerst de geest- het dagelijkse, als een aap rondspringende denken van de zitter – tot bedaren te brengen, en vervolgens door jaren oefenen een staat van zuivere wakkerheid, vrij van gedachten, te bereiken, zodat de geest zijn eigen Boeddha-natuur kan beseffen. Anders dan andere vormen van meditatie is zazen niet gewoon een middel om een doel te bereiken. ‘Zazen is zelf verlichting,’ zei Dogen. Een ogenblik zitten, een ogenblik een boeddha zijn.

Het beroemde voorbeeld van zazen is Bodhidharma, die negen jaar lang in het klooster Sjao-lin met het gezicht naar een muur zat. Kenmerkend voor zen-literatuur is echter dat ze een even overtuigend voorbeeld geeft van wat precies het tegendeel lijkt. Ma-tse zat dag in dag uit in meditatie, tot zijn meester hem er ten slotte vragen over stelde. Ma-tse legde uit dat hij Boeddhaschap hoopte te bereiken. De meester nam een stuk tegel en begon er met een steen over te wrijven. Toen Ma-tse hem vroeg wat hij deed, antwoordde hij dat hij de tegel aan het polijsten was om er een spiegel van te maken. ‘Hoe kunt u een tegel tot een spiegel polijsten?’ vroeg Ma-tse. ‘Hoe kan men een boeddha worden door te zitten mediteren?’ diende de meester hem van repliek niet het zitten, maar de zitter bekritiserend.